2021 #3

Lees hier vanaf het begin

Wanneer het geluid van de menigte weer wordt onderdrukt door de stem die versterkt van het podium komt, draai ik mij af van de koffiemolen en de herinnering. In de opening tussen de kamer en de keuken blijf ik staan. Het schrijfbureau staat open met papieren en brieven. Bovenop staan foto’s. Een collage van de mensen die iets betekend hebben in mijn leven. Periodes die mij doen herinneren. De lange muur is ook de plaats waar de boekenkast staat. Vol met verhalen van het leven; sommige verteld door de doden. Een glimlach maakt zich van mij meester als ik boven op de kast het kleine houten treintje zie. Een beetje van mijn kindertijd heb ik meegenomen door mijn leven. Het is bij mij gebleven, net zoals de herinnering mij bij gebleven is. 

Hoe gaat het nu? Val ik straks in slaap zoals ik dat bij leven ook deed? Mijn ogen glijden langs de boeken. Als ik dichterbij kom, lees ik de titels. Faust van Goethe, Dante’s Goddelijke Komedie, Opzoek naar de verloren tijd, alle zeven delen. Zal ik mijn bed maar gaan opzoeken? Ik weet eigenlijk niet of ik de slaapkamer kan bereiken; als ik de deur heb dicht gedaan vanmorgen…

Als ik langs de televisie loop, slaat de gewoonte toe om de hem uit te drukken. Er gebeurt niets als ik de knop aanraak. Er is niets dat ik kan doen. Geen interactie mogelijk met de werkelijkheid. Ik sta nog wat verbaast naar het apparaat te kijken. Dan dringt pas tot mij door wat het betekend. Als de slaapkamerdeur dicht is… geen interactie met de werkelijkheid. De foto die het meest voor mij betekend staat naast mijn bed. Er is nog wel een foto op het bureau maar niet die. Die ene foto. Kan ik die nooit meer zien? Een somberheid waart zijn weg door mijn lichaam. Vanuit elke uithoek sluipt het richting mijn hart. Alsof kou bezit van mijn lichaam neemt. Ik ren de trap op. Stap de laatste treden met twee tegelijk omhoog. De hoek om. De overloop op. Aan het einde van de gang is mijn slaapkamer. Een wijd openstaande deur maant mijn racende hart tot kalmte. 

De lantarenpalen schijnen een flauw licht vanaf de straat de kamer in. Net genoeg om te kunnen zien. Zittend op het bed kijk ik naar de foto. De faal geworden kleuren van een jaren zestig foto. De jonge man met een vrolijke schittering in zijn ogen en een lach op zijn gezicht. De woorden die achterop staan zijn eigenlijk belangrijker. In hanenpoten staat geschreven: “Lieve Thomas ik hoop je snel weer te zien! Ps. Iets om bij je te dragen.  X J”

Ben zo terug – Bart

2021 #2

Lees hier het eerste deel.

Wat verslagen ga ik weer naast de stoel zitten. Zou ik iets moeten doen? denk ik, terwijl ik luister naar de televisie. De president weet zijn eigen voldoening te krijgen door de menigte op te zwepen tot een scanderen. “We love Trump”, waarmee hij zijn eigen ego ophemelt tot de grote leider. Geen wonder dat zovele religieuze personages deze man hebben gevolgd, tot de aftakeling van het land. De camera zoomt uit en laat een publiek zien dat voor de gelegenheid met vlaggen en geweren bijeen is gekomen. Klaar voor wat!? zou ik willen vragen. De lichten van een auto, die voorbijrijdt, schijnen langs de gordijnen. Ik kijk naar het lichaam. 

De kachel springt aan en gromt om het warm te houden in het kleine huisje. Ik loop van de kamer naar de keuken, waar de koffiepot al klaar staat voor morgenochtend. De tijdklok tikt zachtjes. De koffie in het Filter en het water in de percolator; het lijkt allemaal zo onzinnig nu. Wel zo aardig voor diegene die mij vindt, dat de koffie klaar staat. Ik kijk door het keukenraam de achtertuin in, lichte sneeuw valt onnatuurlijk langzaam. In de kamer spreekt de president zijn incoherente zinnen over de menigte uit. Als waren het een toverspreuk om mee te bezweren.

Naast het raam hangt de koffiemolen uit mijn ouderlijk huis. Eén van de eerste herinneringen die ik heb is uit de keuken. Mijn moeder in haar rok met het witte schort. Mijn wereld bestond uit het huis en de tuin. Het houten treintje met de twee wagonnetjes reed ik over de tegels. De voegen waren de rails. Een oneindige wirwar aan routes die door de hele ruimte gingen. De trein stopte bij elk obstakel als of het een station was. Op de achtergrond het piepen van de hendel en het grommen van de vermalende-koffiebonen. De fluitketel stond op het fornuis, de eerste waterdampen kwamen door de kleine opening bij de dop naar buiten. Vanaf de vloer bij de tafelpoot keek ik naar mijn moeder. Het treintje was gestopt om de passagiers uit te laten stappen. Langzaam kwam de trein weer in beweging. De rail liep verder richting de verste tafelpoot die tegen de muur van de keuken stond. Alsof het donker werd kwam er steeds minder licht, tot ik helemaal tegen de muur aan zat. De trein had zijn volgende station bereikt. Vanonder de tafel keek ik de keuken in. Ik kon alles zien van hier en niemand zag mij. De trein had mijn aandacht verloren. De buurvrouw was binnen gestapt. Een kort gesprek had mijn aandacht getrokken en de fantasie van mijn openbaarvervoer losgeweekt. Twee paar benen bij de open achterdeur. Ik heb geen idee wat er gezegd werd. Maar in mijn hoofd klinken de stemmen licht en vrolijk. Ik keek weer even naar het verwaarloosde speelgoed bij mijn knie. De achterdeur sloeg dicht. De fluitketel begon te fluiten.  Ik hoorde mijn moeder het glazen bakje onder de molen vandaan schuiven. Ze zette het op de aanrecht en draaide het gas uit. Even bleef het stil in de keuken. Toen verscheen mijn moeders gezicht onder het tafelkleed. ‘Ah! Daar ben je, ik was je al kwijt lieverd!’ Een glimlach speelde rond haar mond.
“Fight for Trump! Fight for Trump!” Scandeert de menigte uit de woonkamer. 

Ben zo terug –  Bart

Lees hier verder.

#1

Mijn hart was moe, het stopte in mijn slaap. Ik ben dood. Mijn lichaam zit nog voor de televisie die de beelden uit Amerika live toont. Er waard een pandemie over de globe, er is een nieuwe Amerikaanse president gekozen en de aftredende president spreekt zijn volgers toe van een podium voor het Wittehuis. Er is weer iets van hoop teruggekomen met het vaccin dat wordt gegeven.  In Nederland zitten de meeste mensen thuis. Het is 6 januari 2021 en nu mis ik het spannendste gedeelte van dit alles. De laatste sigaret licht nog smeulend in de asbak. Er komt straks wel iemand kijken hoe het met mij gaat. Daar ga ik dan maar van uit…

Ik was negentig. Of beter ik ben negentig geworden. Er is iets treurigs aan een lichaam dat sterft voor een televisie. Alsof de wereld nog even extra wil laten blijken dat het gewoon door gaat. De rugleuning is wat naar achter gekanteld, het glas wijn dat ik voor mijzelf had ingeschonken onaangetast. Ik vraag mij eigenlijk af wat ik hier nog doe. Hoort er niet iets te gebeuren nu? Of zit God ook in quarantaine en zitten de engelen te nagelbijten bij de televisie. Ik ga op het krukje naast mijn stoel zitten wachten. Het voelt alsof ik niet helemaal helder ben. Een wollig hoofd. De stem op de tv schalt over het plein, gejuich vanuit de menigte. Vlaggen wapperen in de wind. Er klinkt iets onheilspellend uit de woorden. Ik kijk nog een keer naar mijn lichaam. Hoelang zal dit duren? denk ik. 

De lantarenpaal bij de weg springt aan. Het is donker geworden zonder dat ik er erg in heb gehad. Niet dat dit anders is dan toen ik nog in leven was. Het gebeurde mij regelmatig. De doodlopende weg waaraan ik mijn huisje had, is verlaten. Wie had er ook alweer Covid19? Eén van de buurvrouwen. Ik hoop niet dat Jannie mij vindt, dat mensje komt daar nooit meer overheen. Misschien is het beter als haar man mij vindt. Herman, die is wat zakelijker. Kan het makkelijker van zich af zetten. Ja, dat is beter. Hoewel heeft hij het niet aan zijn hart? Dan vind hij mij, krijgt een hartverknettering en ligt die straks dood aan mijn voeten. Dan moet Jannie komen kijken waar Herman blijft en vindt zij ons beide de laan uit. Janine, die was volgens mij ziek dus dat is niet echt een goed idee. Nou ben ik toch al dood, dus voor mij is er geen besmettingsgevaar, maar toch… zo’n kind, dat zou ik vervelend vinden. David dan, die mocht ik toch al niet. Zo’n zijige man, zo’n neuspeuteraar, zo iemand die net te veel onderuit gezakt zit. Ja die moet mij maar vinden, misschien knapt hij daar een beetje van op. 

Waarom is er nu nog steeds niets gebeurd? Ik kijk achter mij naar het raam, maar de gordijnen zitten dicht. Ik kan natuurlijk proberen of ik het open krijg. Misschien is er wel echt zoiets als een interactie tussen deze wereld en…  Maar het levert niets op. Gordijnen, geen beweging in te krijgen. 

Lees hier verder

Ben zo terug – Bart

Donker

Het bleef licht voor de auto. De lange, rechte weg door de weilanden, strekt zich onnatuurlijk voor mij uit. Een stem vertelt mij de route die ik moet volgen. Mijn volgende afslag is over twee en halve kilometer. Er is iets filmisch aan de afgelegenheid van de omgeving. Het begin van een onduidelijke horror die zich zal ontvouwen. Er schijnen kleine lichtjes bij een boerderij aan de kant van de weg. Het warme licht valt door de ramen naar buiten. Er is een gewoonte in de ruimte die rondom mij is. Een steeds grotere afstand ontstaat er tussen mij en de warmte van de gele stralen die uit de boerderij komen. Zo weinig licht is er dat het mij nog niet écht was opgevallen. Het was donker, meer dan normaal. Pas toen ik langs de weg moest zoeken naar het huis waar ik moest zijn. Juist omdat ik moest zoeken viel mij op dat de lantarenpaal niet meer scheen. In de achteruitkijkspiegel zag ik dat er geen enkele lantarenpaal meer op de weg scheen. Ik ging op zoek naar de boerderij die ik eerder was gepasseerd. Deze was opgeslokt door het donker. De wolken hielden het enige licht van de maan tegen. Een kleine wereld was er nog, alleen dát wat door mijn koplampen werd beschenen.

Ben zo terug – Bart

Verwarrende realiteit

Hij waste zijn handen. Dat was de zoveelste keer die dag. Zijn huid was rauw geworden van de zeep en alcohol die hij gebruikt had. Het leek een poging, de identiteit die een vingerafdruk in zich droeg, te ontkomen. Hem te vervagen. Net zoals de verhulling dat was. Een poging om de indringer voor de gek te houden, niet onder de aandacht te komen, niet geraakt te worden. Een ziekenhuis vol spookachtige verschijningen. Verderop in de gang ging een alarm. De mondkapjes en beschermende kleding gleden langs hem, richting het alarm. En opnieuw was er die beangstigende stilte. Hij draaide zich om en keek naar de ingepakte schoenen die altijd iets van realiteit bleven bewaren. Alleen was de grond er niet meer, een zwarte leegte bevond zich onder hem. Hij viel! 

De wind had hij tegen, zoals dat gaat op dagen als deze. De fiets kon zijn verlangen om sneller te gaan, niet bevredigen. Het voelde alsof hij achter de dag aan strompelde. Pas toen hij op weg was, had hij tijd gehad na te denken. Ik was al wakker, al op mijn werk, dus hoefde ik niet meer op te staan. Het was dat ik uit bed viel

Hij waste zijn handen. De huid was rauw geworden van alle zeep en alcohol die hij in de afgelopen dagen gebruikt had. Verderop in de gang klonk een alarm. De mondkapjes en beschermende kleding gingen langs hem heen, richting de kamer. Hij keek naar zijn ingepakte schoenen, haalde diep adem en begon zijn dag.

Ben zo terug – Bart

Verlaten Werkkamer

Gele kranten lagen op de grond. Ongelezen, netjes in een stapeltje, zoals zij door de brievenbus gevallen waren. Losse vellen type-sels, een gedicht, halve vertelsels en een rijmwoordenboek. Het bureau vol met aantekeningen en handgeschreven briefjes. Het whiteboard bevatte een bedachte uitwerking, die als een moordcomplot met dunne lijntjes aan elkaar hing. Een opengeslagen boek, tussen al dat onafs. De bureaustoel draaide nog langzaam na alsof er zo-even nog iemand gezeten had. Het geheel baadde in het namiddagse-zonlicht. Een potje zwarte inkt, waar de dop niet goed opgedraaid zat, was omgevallen en drupte de op een beschreven pagina. Op de stoel voor het open raam kwam een nieuwsgierige merel zitten en sloeg alles gade. Een bericht kwam binnen op een onzichtbare telefoon. Bij het omlaaggaan van de deurklink vloog de merel weg en werd de ruimte weer gevuld met leven. Werd er opnieuw een poging gedaan iets te schrijven. 

Ben zo terug – Bart 

Stranddroom

De zon was duidelijk boos op mij. Haar stralen prikte mijn witte huid en hadden het zand zo verhit dat het voelde alsof het de huid van mijn voeten zou branden. Een koele bries blies van over de zee, het hielp mij bij het vasthouden van mijn verstand. Ik stond op om wat af te koelen in het zoute water. Toen ik er naartoe liep verdwenen de golven. Als een luchtspiegeling die altijd voor je uitstrekt, maar nóóit bereikbaar. Met elke stap leek er meer zand te verschijnen. Het voelde of er blaren op mijn voeten ontstonden, maar ik had nog een woestijn te gaan. Achter mij was de plaats waar ik vandaan kwam verdwenen. Alleen nog zand en zonneschijn.
Toen ik mij terugdraaide naar de zee, raakte een koude, natte hand mijn arm aan. Een schok van kippenvel ging door mijn warme lichaam. Hij omhelsde mij.  Nam mij mee naar het koude water. Een verkoelende kou voor een dwaler over eindeloze stranden. Hij hield mijn hoofd vast en kuste mij terug naar de werkelijkheid.   

Ben zo terug – Bart

Verzoek II (Een beetje fantasie)

Lees hier vanaf het begin, en hier het vorige deel.

De warmte deed de lucht naar droge aarde ruiken. ‘Maar…’, probeerde ik Syn te ondervragen, ‘wat is er net gebeurd?’. Syn trok mij mee langs de terracotta muur, naar de voorkant van het huis. Aiōn was al naar voren gelopen ‘Aditi’, zijn stem klonk jeugdiger dan hiervoor. De zon brandde alsof het door mijn huid heen ging. Syn en ik volgde de stem van Aiōn. ‘Wat een eeuwigheid geleden!’. We bleven een klein stukje achter hem staan. ‘Kom binnen het is veel te warm’, zei de vrouw die voor Aiōn stond. ‘Waarom hier?’ vroeg Aiōn over zijn schouder terwijl hij de schaduw van het huis inliep. ‘Wie is dat?’ vroeg ik Syn zacht. ‘Aditi’, antwoorde Syn mij. ‘Ik kon niet zo snel iets anders bedenken, Aiōn’. Terwijl we het huis binnenstapte voegde zij er wat onzeker eraan toe: ‘Het is ver weg’. 

Mijn ogen moesten even wennen aan de schemering waarin ik terecht was gekomen. Het was een groot vertrek met een verhoging waar Aditi op een grote stoel zat. Op de grond lagen kussens en er stonden twee lange, lage tafels. Nu mijn ogen gewend waren kon ik haar beter bekijken. Ze was mooi. Haar huid was brons alsof het gekust was door de zon, haar lange donkerbruine haren waren opgestoken en achter haar linkeroor zat een rode bloem. Ze zat statig, zonder dat zij een standbeeld leek. ‘Dat is inderdaad een tijd geleden’ zij ze toen wij op de kussens zaten. ‘Syn’, knikte Aditi. Er was iets kouds aan haar begroeting. Ze keek naar mij en knikte. Maar haar kijken bleef op mij hangen, zelfs na de knik. Alsof ik iets was wat zij nog niet eerder gezien had. ‘De jongen wil iets weten over de Witte Heiligen’ zei Aiōn zonder op haar vraag te wachten. Aditi knikte nogmaals naar mij, voor zij Aiōn opnieuw aankeek. ‘Je bent er zelf bij geweest’, zei ze. ‘Jij bent veel dichterbij geweest’, zei Aiōn. Ze sloeg haar ogen naar de grond alsof er schaamte in haar speelde. ‘Wat…?’ vroeg zij na een korte stilte. 

Aiōn vertelde het verhaal van Helops en de kerk. Hoe hij zijn vader kwijt was geraakt en was meegenomen naar binnen. Van de raspende worden die zijn vader de dames had toegeblaft. ‘Het breken van het brood’, zei Aditi knikkend. Ze haalde diep adem, ‘misschien is het wel handig om iets te vertellen over hoe het zo is ontstaan’.  

Ben zo terug – Bart

Ontmoeting I

‘Jij kan hier niet zijn!’ het klonk alsof de jongeman hem kende. ‘Hoe bedoel je, jij kan hier niet zijn?’ vroeg Damian. Hij bekeek de man voorzichtig, hij was lang, tegen de twee meter. Zijn lichaam gespierd, maar slank. Het sluike zwarte haar was doorvlochten met groen, alsof moedernatuur zichzelf bezig had gehouden met het in toom houden. Zijn kleding leek gemaakt van geweven gras en had verschillende kleuren. Zijn huid had een lichtbruine waas en zijn ogen waren helder. Op dit moment keek hij wat verdwaast. Zijn hand leunde nonchalant op zijn zwaard.

‘Barraskr,’ siste hij. ‘Het is gevaarlijk, je moet hier weg!’  Pas toen hij dichterbij gekomen was zag Damian hoe helder zijn ogen waren. De één mosgroen en de ander azuurblauw. Beiden leken gouden vlokken in zich te dragen. Hij drukte Damian de donkere schaduw van de bomen in. De felle ogen, met de donkere zwarte wenkbrauwen, keken hem dreigend aan: ‘Je kan hier niet zijn!’ Hij keek om zich heen alsof hij iemand verwachtte.  Pas nu Damien in de schaduw stond, voelde hij hoeveel koeler het was dan in de zon. 

Ben zo terug – Bart