Zoeken … IV (Een Beetje fantasie)

lees hier de eerder delen terug

Het bleef even stil. Het beeld van de jongen, met zijn vader onderweg naar huis, hing in de stille lucht. Aiōn draaide zijn duimen en begon; ‘Van wie kom jij?’ zijn stem voorzichtig, alsof hij bang was het beeld met te veel geluid versplinteren. ‘Cheiron zoon van…’
‘Helops’ zei hij, voor ik verder kon vertellen van mijn vader. ‘Juist…’, hij keek uit het raam waar een merel tussen de bladeren opzoek was naar wat eten. ‘Het begin van het begin’ fluisterde hij. Op de achtergrond klonk het geluid van de radio die Aiōn zachter had gezet. ‘Mag ik niet…’ Aiōn hield zijn hand naar mij op alsof hij wilde zeggen: wacht. ‘De Witte Heiligen’ zei hij zacht, alsof hij tegen zichzelf sprak. Langzaam draaide hij zijn hoofd terug en keek mij recht in het gezicht. ‘Weet u waarom ik hier ben meneer Cheiron?’ zuchtte hij zijn vraag. De warme middagzon scheen door het hoge raam over de met stapels boeken gevulde tafel. Het zwarte leer voelde warm tussen mijn vingers. ‘Ik probeer te begrijpen wat uw vraag is’, zei ik. ‘Ik ben hier om het verloop van de tijd te observeren. Ik ben er, maar ik weet niet alles wat er in die tijd gebeurd.’ Zijn stem klonk bedroeft. ‘Het is belangrijk dat je begrijpt wat ik doe. Ik observeer de tijd. Begrijp je dat?’.
Ik knikte.

‘Dingen veranderen niet zo snel als het soms lijkt. De boeken die je zoekt om te begrijpen wat er gebeurt in het schrijven van je grootvader, zijn er misschien wel niet meer. Het is aan jou om op zoek te gaan naar de mensen die kunnen weten wat er precies gebeurd is’.
Opeens herinnerde ik mij de begrafenis van Helops; ‘Kan Freyer het weten?’ vroeg ik Aiōn. Hij had zo oud geleken. ‘Freyer is niet iemand die zich bezighoudt met… ons’ was het woord dat hij koos. Een glimlach gleed over zijn lippen. ‘Wie heeft je dat gegeven?’ Aiōn wees naar mijn hals. Het medaillon dat ik op de begrafenis gekregen had van de oudere dame. Ik kon haar gezicht voor mij zien. ‘Ik weet haar naam niet’ zei ik terwijl ik het oog op de achterkant bestudeerde. ‘Hoe zag zij eruit’ vroeg Aiōn.

Ben zo terug – Bart

Advertenties

Twee Kanten

Opeens was zijn blik kilometers verderop. Het kopje zakte scheef. De sterke, zwarte koffie schommelde in de mok en raakte de rand. ‘Toch Jan?’ klonk de stem. Het kopje werd recht tussen zijn vingers geschoven. Hij was weer terug in de woonkamer. ‘Ja’ klonk zijn zware stem. Hij had geen idee wat er gezegd werd. Even snel als hij terug was in de woonkamer was hij weer vertrokken. Ook de koffie zakte weer scheef. Deze keer was er niemand die hem terug riep. Een druppel waagde zich over de rand. Kleefde aan de zijkant en rolde daarna langzaam naar beneden.

De kinderstemmen op het schoolplein roepen mij naar buiten. Langs het hertenparkje de weg over, weilanden door. Omhoog, de lucht in en  verder omhoog naar de wolken. “De geweldige ruimte,” zoals Marsman het noemde. ‘Toch Jan?’ vraagt mijn vrouw opeens. Wat, waar gaat het over? ‘Ja’ zeg ik maar. De koffiekop wordt weer recht tussen mijn vingers geduwd. De wind waait door mijn haren. Het land dat als puzzelstukjes in elkaar is gepast. Ieder zijn eigen stukje. Aan een slootkant zit een oudere heer te hengelen. Wat zou ik er voor geven om dáár nog een keer te zitten.

 

Ben zo terug – Bart

 

Zoeken … III (Een beetje fantasie)

Lees het vorige deel hier, of lees vanaf het begin

“Toen wij na een paar uur op de wagen hadden gereden, kwamen we aan bij de stad. Bij het binnenrijden was het druk. Iedereen die langsliep moest ergens zijn. De koopmannen riepen hun waren om. De karrewielen ratelden over de straten die grijs zagen van het vuil, dat zich had afgezet tussen de stenen. De grote kathedraal die gebouwd was met het witte marmer, was grauw geworden van de schoorsteenrook.  De Witte Heiligen hadden daar hun thuis gemaakt. Het stadsplein werd door de algemene bevolking als leefplaats gebruikt. Een dronken man hing tegen de waterpomp en twee jongetjes rende achter elkaar aan. Mijn vader tilde mij van de wagen. De stenen van het plein waren glad gesleten. ‘Blijf dicht bij mij,’ zei mijn vader, ‘als je niet weet waar je bent loop dan terug naar de waterpomp, ik kom daar ook naartoe’.  De drukte van de stad was voor mijn plattelandsogen hectisch  en zonder enig doel. 

Nog voor vader mijn hand kon pakken was er onenigheid aan de andere kant van het plein. De menigte die zich gevormd had bestond voornamelijk uit arme mensen, die in een cirkel rond een groep mensen in witte habijten stond. De groep waaierde over het plein. De onenigheid was ontstaan door twee mannen die beiden beweerde dat zij als eerste aan de beurt waren. De rest van de menigte waren mensen die in hun nieuwsgierigheid op de drukte afgekomen waren. De massa groeide snel dat veel geduw en getrek tot gevolg had. De witte gewaden kwamen rechtstreeks op ons aflopen. Een arm duwde mij aan de kant, een schroeiende pijn nam elke waarneming weg. Rode vlekken verhinderde mij het zicht. Opeens was ik weg. Een donkere straat ingedrukt door de mensen. Ergens hoorde ik mijn naam. ‘Ik ben hier!’ riep ik, maar ik kwam niet boven het geluid uit. 

Uit de schaduw van de witte kathedraal kwam een vrouw met lange grijze haren. Zij kreunde terwijl ze naar voren stapte. ‘Jonge man,’ zei ze met een krakende stem, ‘ben je hier alleen?’. Het was koel in de schaduw en rustiger na de hectiek van het drukke plein. ‘Mijn vader…’ probeerde ik haar uit te leggen. ‘kom maar naar binnen, dat is veiliger’. Zij wees naar de kleine houten zijdeur. ‘Ik moet naar de waterpomp… vader wacht daar op mij’, probeerde ik haar uitnodiging weg te wuiven. ‘Je wordt platgedrukt door de mensen, binnen kun je wachten tot het rustiger wordt’. Zij stond al half in de deuropening. Voorzichtig stapte ik naar binnen. Haar hand greep mijn schouder beet. 

De dame voegde zich bij de andere zusters. De oudste van de drie dames stapte naar voren. ‘Wat wilde je vragen?’, zei ze zonder enige emotie. Haar woorden bleven hangen in de lucht. Overdondert door de onverwachte vraag bleef ik sprakeloos staan. De met wierook gevulde ruimte, maakte mijn hoofd wollig. Ik kon geen vraag bedenken. ‘Mijn vader wacht bij de waterpomp’, zei ik hopeloos. De binnenkant van de kathedraal was donker, geen witte heilige maar grijze dames in grijze gewaden. Het was koud na de warme buitenlucht. ‘Je bent hier alleen?’ vroeg de andere dame. ‘Mijn vader is buiten en…’ 

 ‘Je bent alleen gelaten.’ De dame trok haar wenkbrauwen omhoog. ‘Nu moet je het zonder doen. Alleen op de wereld.’ Ik probeerde er tussen door te komen maar telkens als ik het probeerde, begon de dame weer te praten. ‘Je vader heeft je verlaten’.
‘Niet! Mijn vader wacht op mij. De menigte heeft ons uit elkaar gedreven. Ik moet hem zoeken!’. De dames keken mij met grote lege ogen aan. ‘Kind’, zei de jongste van de drie. ‘Je weet niet waar je het over hebt. Wees maar blij dat wij je hebben gevonden anders had je op straat moeten leven.’ 

Het grijs werd steeds donkerder rondom mij. Met veel kabaal sloeg de deur open. ‘Helops!’, mijn vader kwam naar binnen gestormd. ‘Ah, u bent de vader?’, zei de oudste dame. ‘Mijn zoon! Waarom heeft u hem meegenomen? Ik heb hem gezegd bij de waterpomp op mij te wachten’, vader keek kwaad. ‘U heeft hem alleen gelaten’ zei de oudste dame. De woede was van mijn vaders gezicht af te lezen. ‘Een vader die zijn jonge zoon alleen laat… dames, wat vinden wij daarvan?’. Een zweem van een glimlach speelde rond de mond van de oudste. ‘Ja, ja’,  zei de derde dame die tot nu haar mond had dicht gehouden. ‘Het ouderschap laten vallen. Misschien moeten wij die taak maar overnemen. Meneer ontzetten uit zijn functie’. ‘U bent niet geschikt als ouder’, zei de jongste. ‘Ja, ja’ zei de middelste dame weer. ‘Wij hebben hier de zorgtaak’, zei de oudste dame ‘en als u zich niet geroepen voelt om daar aan te voldoen, moeten wij dat overnemen’. ‘Helops!, hier!’, commandeerde mijn vader mij. Ik had hem nog nooit zo tegen mij horen spreken. Ik rukte mijn schouder los waar de oudste dame mij nog steeds vast had. Pas toen ik los was voelde ik mijn lichaam weer warm worden. Alsof alle gevoel voor warmte opeens weer onderdeel van mijzelf was geworden. Half achter mijn vaders been verscholen keek ik de dames uitdagend aan. Vader raspte onbegrijpelijke woorden. Blaffend naar de dames. Zíj doken in één en stapte alle drie tegelijkertijd naar achteren. Zij waren bang. Maar voor wát?

Op de weg terug naar huis werd er niet gesproken. Alleen zei vader; ‘niets tegen je moeder zeggen! Die zou alleen maar ongerust worden’. Zo ontdaan van het hele voorval durfde ik niet te vragen wat hij in de kathedraal tegen de drie dames had gezegd. Misschien moet ik het vader later eens vragen.”

Ben zo terug – Bart 

(T)huis!

Langzaam is dat thuis van toen, weer een huis geworden. Alles wat het maakte, een leven ingepakt in dozen. Boekenkast in de steek gelaten door de verhalen. Een tijdelijke verblijfplaats van karton. Langzaam losgeweekt van de bodem, ontworteld en ontheemd. Tussen de dagen, in het doolhof vol kartonnendozen, het nieuwe. Schilderen, schuren en vormen van dit huis naar een thuis. Het zíjn, wordt van de kamer afgepakt en aan een nieuwe geschonken. Opeens is daar het afscheid. Als een geest door lege kamers, om verderop opnieuw te beginnen.
Alles is weer nieuw. Nieuwe geuren en geluiden, routes door het huis. Een avontuur in  een middernachtelijk thuis. Voetje voor voetje de trap af, opnieuw leren lopen. Geluid! De kachel, een tak tegen de ruit. Regen op het dakraam en het kraken van andere treden. Voor alles een plekje vinden, een indeling.
Opnieuw verlieft op je spullen in dit nieuwe thuis.

 

Ben zo terug – Bart

Zoeken… II (Een beetje fantasie)

Lees hier terug wat er eerder gebeurd is…

Cheiron drukte op de bel. Het geluid was overdonderend, in het kleine portaal dat als een versterker werkte. De stem van de journaal-lezer klonk monotoon, bijna dreunend. Callas’s hoge noot galmde er boven uit. Het orkest maakt het crescendo compleet. En dit alles bleef, in het portaal, tussen de muren kaatsen. Nogmaals de bel. Er klonk niets van binnenuit dat er op leek dat de deur open gedaan zou worden. Met een vuist gaf Cheiron een harte klop op de deur. ‘Ja ja ja,’ klonk het van uit de diepte van het huis.

Toen de deur openging stond een oude man voor hem. ‘Aiōn!’ zei de man. Nog voor Cheiron zijn naam kon zeggen had Aiōn zich al omgedraaid. Hij opende de deur helemaal en stapte er soepel omheen. Met zijn arm gebaarde hij Cheiron naar binnen te komen. Eenmaal over de drempel zei hij met een luide stem: ‘Helemaal doorlopen… achterin… de keuken.’ Cheiron ging op een van de lege stoelen zitten en pakte het boek van zijn grootvader op schoot. Hij keek op, er was niemand. Nog voor hij zich verder kon verwonderen over Aiōn klapte de voordeur dicht. Met verassende snelheid stapte hij de keuken binnen. ‘Ik wil u iets vragen,’ begon Cheiron voorzichtig. ‘Ja ja ja,’ zei Aiōn ‘wat is er met het boek?’
‘Hoe weet u dat…?’ zei Cheiron vol ongeloof. ‘Er staat een herinnering in van mijn grootvader…’ Aiōn trok zijn wenkbrouwen op. ‘Lees het nu maar voor!’

“De eerste keer dat ik iets vermoede… dat moet in mijn jeugd zijn geweest.
Het was ergens in augustus, denk ik. Toen het gras geel begon te worden van de warmte en de beek naast ons huis volledig was opgedroogd. Ik had de hele ochtend in de weilanden gespeeld in de schaduw van de bomen, tussen de bladeren die waren afgevallen. Mijn vader vroeg mij mee naar de stad waar hij wat spullen moest ophalen. Wij liepen tussen de weilanden over de stoffige zandweg, het landschap glooide en langs de rand van de weg stonden hier en daar wat bomen. Soms was het een laan, dan weer een landweg, maar steeds waren er stukjes schaduw die de hete zon onderbroken. Ik kon de warmte van het zand, door mijn zolen van leer, heen voelen. Na wat voor mij een eeuwigheid leek, stopte wij bij een laag hangende boomtak. Mijn maag gromde, hongerig naar voedsel.

De eerste slok van het koele water gleed voelbaar door mijn lichaam. Het was als een verkoelende duik in de rivier. Mijn vader haalde een doek uit zijn tas met nog warm brood en een glazen pot met aardbijenconfituur. Het witte brood was romig en de frisse aardbeiengelei zoet. Het was het lekkerste wat ik ooit had gegeten. De doffe kloppen van hoeven op het zand naderden ons. Een boerenknecht op een open wagen. Zijn gezicht lichtte op, alsof wij de eerste mensen waren die hij in dagen had gezien. Hij groette ons gedag nog voor hij dicht bij genoeg was om tegen ons te spreken. ‘Eetsmakelijk’ zei hij toen hij dichterbij gekomen was. ‘Als ik zo vrij mag zijn, waar zijn de heren naar onderweg?’ Mijn vader sprak met respect: ‘Dank u, wij zijn onderweg naar Ergon.’
‘Dan heeft u geluk,’ zei de knecht, ‘u kunt op mijn wagen meerijden, ik moet daar vlakbij zijn.’ Triomfantelijk keek hij van af de bok op ons neer. ‘Als u het geen probleem vindt ga ik ook even een broodje eten’. Nog voor mijn vader kon reageren was de knecht al op de grond in de schaduw neer geploft.  Ik weet niet meer of er iets gezegd is, of dat wij alle drie stil zaten te eten.”

 

Ben zo terug – Bart

Kleinood

Het rode marmer kreeg een aureool door het zonlicht dat op het hoofd van het figuur scheen. Zij had het gekregen, maar van wie kon zij zich niet meer herinneren. Even verstilde zij. Met haar delicate vingers pakte zij het van de vensterbank. Het was niet veel groter dan een vingerkootje. Het rood/zwart gemarmerde steen was koel. De kleine handen waren in elkaar gevouwen, het hoofd voorover gebogen. De vleugels kwamen boven het hoofd uit. “Een kleine engel” dacht zij. Een glimlach trok over haar gezicht. Ze zette het terug op de zelfde plaats. En opnieuw verscheen het aureool.

 

Ben zo terug – Bart

Zomer op het dak

‘Dus de wereld is al veel te lang hetzelfde?’ zij keek naar de rode maan en knikte. ‘Wat gaan we daar aan doen?’ Het was nog warm van de dag. De wereld was stil geworden nadat de avond was gevallen. Nu de vogels hun plaatsen in de bomen hadden gevonden en de wind was stil gevallen, hadden de meeste mensen hun achtertuin verruild voor hun bed. De dakpannen waren nog warm van de dag tegen de blote huid van mijn benen aan, wat het ruwe van het steen iets aangenaams gaf.

Hoe zij mijn leven binnen was gedrongen zou ik u niet kunnen vertellen. Opeens was zij er. Zoals sommige spullen ooit je leven binnen zijn gekomen en waar het lijkt of zij er altijd zijn geweest. Deze dagen leek het bijna een ijl-droom. Een ontzettende warmte die overal doorheen drong. Het was net of zij een gedeelte, een ruimte innam. Het was geen binnendringen alleen een kleine opstap die zij gebruikte om het dak op te komen. Een tweestapper die voor veel caravan-deuren staat. De laatste stap naar het dak was een grotere. Wat er op dat dak was? Een wereld om op neer te kijken, vertes om te overzien en de rest van de wereld, die de muren buiten sloten.

‘Ik kijk’ ze zei het achteloos alsof er niets meer was dat zij deed. Nu was het niet dichtbij maar de verdere, wijde omgeving die zij bekeek. Ze keek vol verwondering.
‘Waar naar?’ vroeg ik zonder mijn blik van het rondzwaaiende licht van de vuurtoren te wijzigen. ‘Ik bedoel’, begon ik toen zij geen aanstalten maakte tot een antwoord. ‘Ik vind de afstand tot de wereld hier fijn’. Mijn antwoord had haar uit haar trans gehaald.

Beneden liep een figuur onder de lantarenpalen door, van lichtbundel tot lichtbundel. In het midden verdween hij even uit het zicht totdat hij de volgende ‘spot’ inliep.
‘De mens’, zij focuste haar blik, ‘alleen maar zichtbaar en te zien als hij een spot gevonden heeft…’ zij viel stil en maakte haar beschrijving zacht af ‘ altijd opzoek naar gezien worden’. Even stopte zij, alsof er een gedachte zich in haar hoofd vormde die alles omver wierp. ‘Misschien heeft het veel meer te maken met zien…’
‘Dat zou best wel eens kunnen’.

Ben zo terug – Bart