Een wandeling (door poëzie)

Soms ga ik op een wandeling. De speren van zomergras zie ik dan. Zij ontwaken opnieuw uit de grond. Geprikt door korenaren volg ik mijn weg door de lichtgroene wei. En… als de zomer de mens wil verraden, gooit zij met snijdende wind en scherpe regens. Voorzichtige stappen zet ik tussen “Het bloemenpuin”. Wat de zon en de aarde eerst samen maakten, verscheuren de wind en de regen.

De avond nadert, opnieuw loop ik verder. Op pad in het zomers avondvondblauw. Tussen de jonge bladeren door, een open plek en beschutting; waar ik een zee van dansende narcissen zag. Waar boven, In de hemel, violet gekleurde wolken.

 Verder loop ik verder… en nooit kom ik thuis. Door parken en woestijnen en bloemen van het kwaad. Tot het eind van september en bladen van gras. Door de gedichten… in memoriam mijzelf.

Ver boven vijvers uit en ver boven de dalen,
Ver boven het bos en oceanen….
Zit ik dan, voor het raam. Door zusters en broeders verlaten. Die mij hier voor eeuwig laten, én gaan. Dan droom ik van een wandeling.
Dan droom ik mijn weg via woorden en talen en laat ik mijn rolstoel hier staan. Door wonderlijk najaar,  mijn ravenzwart haar geraakt door premature vorst.
Pas als de laatste klanken mijn lippen verlaten en de stilte valt.
Pas dán ben ik weer terug.

 Ben zo terug – Bart

 

Leaves of Grass van Walt Whitman
Gevoel van Arthur Rimbaud vertaling Paul Claes
In Memoriam Mijzelf van J. Slauerhoff
Bloemen van het Kwaad van Charles Baudelaire vertaling Peter Verstegen
Zo eenzaam als een wolk alleen van William Wordsworth vertaling Ivo van Strijtem
Onweer in het Moeras van M. Vasalis
End of September van Sándor Petöfi eng. vertaling George Szirtes

 

Advertenties

Boeken Kopen

Het grootste probleem met boeken is niet dat de verhalen verdwijnen als je ze gelezen hebt; het grootste probleem is dat zij een verslavende werking hebben op je brein. Eigenlijk is dat niet helemaal waar… om eerlijk te zijn is het de ruimte. Mijn boekenkast puilt zo langzamerhand uit. En toch, als ik mijzelf weer eens onverhoopt in een boekwinkel terug vind, kom ik er steeds uit gewandeld met minstens één boek. Twee weken geleden was ik in Steenwijk. Daar vind ik mijzelf zo af en toe terug, verdwaald in een wereld vol nieuwe maar vooral tweedehands boeken. Titels lezend van plank tot plank. In deze wereld, opgebouwd uit letters, kwam ik van alles tegen waarvan ik niet wist dat ik het zocht. Een grijze stoffen kaft met zwarte letters bedrukt: Willem Elschot Verzameld Werk! Nadat ik afgelopen zomer “Kaas” van hem had gelezen, wilde ik wat meer en bleef zijn naam in mijn achterhoofd zweven. Met deze bundel had ik in één keer zijn gehele oeuvre.
Rustig struinend kwam ik bij de volgende. Een aanvulling van de Gerard Reve boeken: “Moeder en Zoon”. De lichtgrijze kaft was nog omhuld met dezelfde lichtgrijze papieren hoes. Daarna kwamen er een paar planken met interessante titels of namen, maar niet genoeg om mij aan te zetten tot kopen. Pas bij de S, Jean-Paul Sartre “De Muur”. Ooit had ik het korte verhaal gelezen. In diezelfde zomervakantie had ik ook een aantal essays gelezen van Albert Camus. Eén daarvan was een recensie van “De Muur”.
Het laatste dat ik vond was een eerste druk van een dichter. Alleen waren het geen gedichten. Leo Vroman Proza. Het eerste dat ik altijd doe als ik een boek vind wat mijn nieuwsgierigheid wekt: staat er voorin iets geschreven…? Bij tweedehands boeken krijg je als je geluk hebt, een extra verhaal.

Leo Vroman Proza
Leo Vroman Proza eerste druk 1960

Soms krijg ik ideeën bij de namen. De jaartallen, data die in de boeken geschreven staan en in sommige gevallen krijg je een bericht van de gever aan de ontvanger.
Ik kan nooit helemaal loskomen van de gedachte dat iemand afscheid heeft moeten nemen van een boek dat iemand met een inscriptie aan hen gegeven heeft. Dan vult mijn hoofd zich met vragen.
Wie was deze persoon? Van wie heeft hij/zij het gekregen? Wat heeft die persoon uit het boek gehaald? Heeft het boek betekenis gehad voor hem/haar? Hoe is het hier gekomen?Nooit komt daar iets uit. Toch blijft het mij altijd mateloos fascineren.

Ben zo terug – Bart

Zoeken……. I (Een beetje fantasie)

Schuifelend tussen de stapels boeken zocht hij naar het verhaal van Aeneas van Vergilius. ‘Wie was ook alweer de vader van Odysseus?’. Tijdens het zoeken bleef de man steeds die vraag herhalen. Zijn haren waren grijs, zijn handen bibberig en zijn voeten onvast. De donkerrood, fluwelen kamerjas hing los om zijn schouders. Aiōn of Aeon of nog duidelijker… Eon. Zijn naam betekende letterlijk tijd. ‘…de vader van Odysseus?’ klakkend met zijn tong keek hij de kamer rond. Op de piano in de voorkamer onderaan, Vergilius. Met zijn hand drukte Aiōn de boeken tegen de muur en trok met zijn andere hand het boek onderuit de stapel. Toen hij langs de tv liep zette hij het ding aan en drukte nog een paar maal op de volumeknop. Hij luisterde nooit naar de tv, het was om zijn gehoor af te sluiten. Schuifelend begaf hij zich naar de keuken. Naast de deur, naar de gang, stond een stereo. Ook hiervan stond het geluid nagenoeg vol aan.

Aiōn zat graag in zijn keuken. Niemand kon hem aan de achterkant van het huis zien. De houten tafel kon zes gasten aan, maar was nu vooral bedoeld als bureau. Toen hij ging zitten aan het enige vrije stukje tafel kwam er een soort genoegzame glimlach over hem. Hij sloeg het boek open en begon te lezen. Opeens kwam de halve zin weer uit zijn mond.
‘…de vader van Odysseus? Wie was de vader van Odysseus?’ Aiōn bladerde door het boek voorbij de aantekeningen, naar het register en begon te lezen: “Aarde, Moeder aarde; moeder van Fama, godin van het gerucht en zuster van de Nacht (VII 286)”.

Maria Callas galmde door de gang en liet de houten voordeur en zijn beslag trillen. Uit de voorkamer klonk een tv die met hetzelfde volume geluid produceerde. Het huis was oud, vervallen. In de donkere gang naar de voordeur stonden stapels kranten en lege flessen wijn. De voortuin was dusdanig overgroeid dat het vanaf de weg onmogelijk was om te zien of het huis nog bewoond werd. Cheiron keek nogmaals op het stukje papier dat hij bij zich had. Dit moest het zijn.  Hij trok aan de bel en wachtte.
‘Laertes, natuurlijk!’ Aiōn’s stem kwam boven al het geluid uit en was buiten duidelijke te horen.

Ben zo terug – Bart

De Zoeker III (Een Beetje fantasie)

Er was iets donkers aan hem. In de glimlach die hij over zijn gezicht liet spelen was niets vriendelijks te zien. Voor de snelle kijker leek het spontaan, maar het was allemaal geveinsd. Hij was uit het niets komen opduiken. Ik had in de dagen, na Helops zijn begrafenis, in de weilanden achter ons huis eindeloos liggen lezen. Het was tussen het graan waar hij opdook. Alsof hij zo uit de grond tevoorschijn kwam. ‘Wat lees je?’ zijn stem was scherp en rauw. Het klonk alsof hij al dagen geen woord meer had uitgebracht. De glans in zijn ogen verraadde dat hij meer kennis had. Ik trok mijn schouders op en bleef gefascineerd naar hem kijken.

De wind om ons heen leek te verstillen, de bladeren van de grote eik bewogen geluidloos. Hij rook naar natte aarde en vers geploegde landerijen. ‘*Tages’, zijn borst vooruitstekend wees hij naar zichzelf. ‘Zeg eens’, vervolgde hij, ‘wanneer denk je te weten wat je aan het lezen bent’. Ik sloeg mijn boek dicht. ‘Ik ben Cheiron’, ik hield mijn hand op het boek en keek hem recht in zijn gezicht. Hij grijnsde terug met een venijnige blik in zijn ogen en griste het  boek onder mijn hand vandaan. Bladerend door het boek zei hij: ‘Onder de tweede rij boeken in je kast is misschien niet de beste verstopplaats’. Ik probeerde het boek uit zijn handen te pakken. ‘Misschien een betere zoeken?’, zijn ogen vlogen over de pagina’s. Hoe kon hij weten waar ik de boeken van Helops verstopt had? ‘Als je wilt dat niemand er bij kan komen is het beter ze bij je te houden’. Met een zucht gooide hij het boek in mijn richting. ‘Hier… er staat niets belangrijks in. Jammer, ik had meer van Helops verwacht’. ‘Hoe weet jij!’, begon ik. ‘Jij moet nog zoveel leren’, zijn grijns was weer terug. ‘Ik…’ mijn gedachte raasde ‘mijn…’ het notitieboek, ‘ heb jij…?’. ‘Rustig maar kleintje’, zijn stem zakte een octaaf, ‘mijn kennis is onvolledig. Dat komt nog wel, daar maak ik mij geen zorgen over’. Het koste mij mijn volledige beheersing om niet tegen hem te gaan schreeuwen.

En zo plotseling als hij tevoorschijn was gekomen verdwenen hij weer. Een klein stofwolkje. De wind blies weer en de bladeren van de oude eik ruiste. Het was weer licht…

 Ben zo terug – Bart

 

*Tages – Grieks –  goddelijke verschijning die uit de aarde voortkomt. Leerde de Etrusken de kunst van het  voorspellen (Ziener).

De Zoeker II (Een beetje fantasie)

 Toen Freyr zich losmaakte van zijn gesprek mijn vader had zich weer tussen de mensen begeven. Ik had mij niet van hem los kunnen maken. Pas toen hij zich omdraaide keek ik beschaamd van hem weg. ‘Cheiron zoon van Atréus’, zei hij. Zijn voetstappen waren nauwelijks hoorbaar. ‘De waanen?’, ik probeerde het met zekerheid te zeggen maar ik begreep de strekking er eigenlijk zelf ook niet van. ‘Dat komt later wel’ zei Freyr serieus. ‘Het boek van Helops is in jouw bezit?’, hij keek mij indringend aan. ‘Het is belangrijk dat je het leest. Heb je de toevoegingen van je grootvader gezien?’ ik had de aantekeningen gezien maar ik wilde eerst de originele tekst lezen. ‘Ik heb nog niet alles gelezen’. Freyr knikte. Zijn ogen doorboorde mij. ‘Luister goed’. Nog voor hij verder kon spreken vroeg ik hem; ‘Welk lijstje vroeg u naar? Muziek, kunst, leren en lezen’ voegde ik toe aan de vraag. ‘Het zit in jouw naam’ hij glimlachte ‘Griekse Mythologie’.  ‘Wat is een zoeker?’, ik had nog honderden vragen voor hem. ‘Dit heeft Helops mij in bewaring gegeven totdat hij er niet meer zou zijn. Mijn taak was het aan jou over te dragen’. Hij haalde een klein boekje tevoorschijn en gaf het aan mij. ‘Je bent meer dan een zoeker, maar dít is belangrijk voor nu’ en hij tikte met zijn vinger op de kaft. ‘Als je het gelezen hebt zal je het beter begrijpen’.  Zonder verder iets te zeggen liep hij weg. De deur uit, alsof hij er nooit was geweest. Ik was al begonnen was met lopen en keek nog naar de deur. Richting mijn vader en moeder die van de laatste mensen afscheid aan het nemen waren.

Toen ik tegen haar opbotste en ik mijn gezicht van de deur afwendde, was haar neus een halve centimeter van de mijne. Ik had de oude dame helemaal nog niet gezien. Haar huid was groenbruin, haar ogen scherp van kleur, de linker blauw en de rechter groen beiden met gouden vlokken. Zij rook naar salie en wierook. ‘Sorry, mevrouw’ zei ik snel. Haar glimlach was breed. Ze schudde haar grijze haren. ‘Hier mijn jongen dit is voor jou. Het zal je helpen’. Zij hing een kettinkje om mijn nek met een klein medaillon. Het ovaalvormige zilver bevatte een abstracte vogelkop en op de rand twee slangen die in elkaar gekruld waren en elkaar in de staart beten. Op de achterkant was een oog gegrafeerd, zoals de ogen van Egyptische standbeeld. Ik keek op van het oog. ‘Draag het altijd!’, haar uitdrukking werd streng ‘Het is de hemelgod. Hij overziet… en beschermt je grootvader en jou’. Haar gezicht ontspande zich weer en de brede glimlach was weer terug. ‘Wij zullen elkaar weer zien. In de tussentijd, lees! Alles!’ Nog voor het in mij opkwam om haar naam te vragen liep zij de deur uit.  Zo verdween ook zij. De zaal was, op de oude buurvrouw na leeg, toen ik bij vader en moeder aankwam. Zij reed met ons mee naar het huis van Helops.

Het leek ouder het huis. Alsof het al jaren leeg stond. Alles wat er nog was leek in versneld tempo te vergaan. Het had zo vol leven geleken de laatste keer.  Alsof er iets was doorbroken, alsof de werkelijkheid weer was ingetreden.

Lees hier verder!

Ben zo terug – Bart

 

 

De Zoeker I (Een beetje fantasie)

Wat Helops bedoelde met zijn uitspraak ontdekte ik een week later. Ik had de hele middag in het hoge gras liggen lezen en het boek al dichtgeslagen. Terwijl ik op mijn buik lag was ik de tekst aan het overdenken, toen schoot het klavertje mij te binnen. Het zwarte leer voelde warm aan door de zon. De klaver! Weg! Geen spoor. Niet onder het boek, of er naast. In mijn haast het te vinden miste ik het hele symbolische moment. Niet het klavertje maar een kleintje, nog groeiend net naast mijn hand. Pas toen ik het op zou pakken merkte ik dat het nog groeide. Voorzichtig plukte ik het van zijn steeltje dat nog in de aarde vast zat. De vervangende klaver plaatste ik weer op dezelfde manier tussen de pagina’s.

Helops overleed vrij snel nadat hij mij het boek had gegeven. De paar boeken die hij bezat kwamen bij mijn vader. De begrafenis was klein en van de paar mensen die er waren kende ik alleen mijn vader, moeder en een oude buurvrouw. Het weer was stemmig met de gebeurtenissen van de dag. De ceremonie werd geleid door mijn vader. De eerste die naar ons toekwam was een oude man. ‘Atréus zoon van Helops.’ Zijn stem was zwaar. ‘Kvasir heeft veel voor mij en mijn familie betekend. Ik moest hier wel aanwezig zijn.’ Hij schudde mijn vader de hand en keek naar mij, verwonderd, alsof hij probeerde meer te zien. ‘Dit is mijn zoon Cheiron’, zei mijn vader tegen de man. Naarmate de man langer naar mij keek, leek het of zijn ogen meer kleur kregen. ‘Freyr’, zei hij toen hij mij de hand schudde. ‘Geinteresseerd in muziek?’ vroeg hij mijn vader ‘Lezen, leren, kunst?’ ratelde hij een mij onbekend lijstje af. ‘Belangrijk voor een ziener’, zei hij in het algemeen. ‘Du sir’, zei hij en knikte naar mij voor hij verderop plaats nam tussen de andere. ‘Du sir?’ vroeg ik aan mijn vader. ‘U meneer of gewoon meneer’, het is Noors. Ik knikte. Er kwamen nog wat andere handen schudden en condoleren. Toen mocht ik vrij rondlopen. De motregen weerhield mij ervan naar buiten te gaan. Door de ongemakkelijkheid van de locatie, kon ik mijn plaats binnen niet vinden. Ik bleef op een afstand staan kijken naar Freyr die in gesprek was met twee andere mensen. Pas, nu er wat afstand was en mijn ongemak over hem wat wegzakte, kon ik hem goed bekijken. Hij was oud, misschien nog wel ouder dan Helops. Zó oud dat zijn lichaam bezig was geest te worden. Er was iets doorzichtigs aan hem. ‘Eén van de Waanen’ zei mijn vader toen hij mij zag kijken. Hij bleef naast mij staan en legde zijn hand op mijn hoofd. Hij voelde zwaar alsof hij steun zocht voor zijn verdriet. Ik had mijn interesse. Niet dat ik het niet verdrietig vond dat mijn opa helops er niet meer was, maar… oude mensen gaan nu eenmaal dood.

Verder lezen

Ben zo terug – Bart

Helops (een beetje fantasie)

Helops, was zijn naam. Zo groot als een reus en sterk als een paard, tenminste dat is mijn herinnering. Dat, terwijl hij zo oud was als de wereld, ook in mijn gedachten. Hij was mijn opa die de hele wereld had gezien en de wildste verhalen vertelde over wat hij allemaal had mee gemaakt. ‘Grootspraak’, zei mijn vader altijd als hij weer eens verdwaald was in één van de vele zijwegen waaruit zijn verhalen waren opgebouwd. ‘Helops! Je maakt de jongen bang!’ had hij een keer gezegd. Ik schudde van niet en met zijn enorme hand wreef hij over mijn zwarte krullen. Als Helops bij ons in huis was werd er gelachen, gegeten, gedronken en het aller belangrijkste… er werden verhalen verteld. Het was altijd hetzelfde op die laatste keer na.
‘Er zijn zaken die spelen’, begon hij met diep raspende stem ‘Belangrijke zaken die al decennia lang op de achtergrond verscholen zijn’.  Hij rook naar pijptabak en hout, het leer van zijn tas en het zoete kruidendrankje dat hij vaak dronk. Ik had hem nog nooit zo serieus gezien. Normaal speelde er een glans van pret in zijn ogen. Even zat hij in complete stilte. Alsof de woorden die hij ging zeggen nog moesten komen. ‘Het word tijd dat jij begint met de lessen die ik als kleine jongen heb gekregen van mijn grootvader. Nu heb je de tijd om te zoeken, zoals ik dat ook heb geleerd.’ Hij zuchtte diep en voor hij verder sprak pakte hij zijn pijp uit zijn borstzak. Stopte hem en zoog de vlam van de lucifer de pijp in. Er ontsnapte een wolk rook die de kamer vulde. ‘Je mag er met niemand over spreken’, begon hij. ‘Er komt nog meer maar dit is het eerste wat ik je ga geven.’ Van de grond pakte hij de zadeltas die hij altijd bij zich droeg. Uit de diepte haalde hij een boek tevoorschijn. Het boek was in zwartleer gebonden. De gouden letters waren er afgesleten en het leer dat van buiten zwart leek was in werkelijkheid donkerbruin geweest. De naam was nog zichtbaar Lucretius. Hij sloeg het boek open en in krullende letters stond te lezen “De Rerum Natura Libri Sex”, daaronder de auteur “Titus Lucretius Carus”. Bij het omslaan knisperde het papier dat zo dun was als rijstpapier.
‘Het lijkt wel een bijbel’, zei ik zonder er bij na te denken.
Helops glimlachte en liet het boek tussen zijn handen dichtvallen. ‘Nog één’, zei hij en sloeg het open bij het schudblad. Op het blad lag een klavertje vier. Hij tikte met zijn vinger op het blad. ‘Wees niet bang om het kwijt te raken er zijn altijd nieuwe in de buurt’. Ik keek hem aan; ‘wat betekend dat?’ Weer glimlachte hij: ‘Ik weet de woorden, maar ik ken niet de betekenis ervan. Mijn grootvader zei hetzelfde tegen mij.’ Hij staarde door het raam naar buiten. ‘Misschien is het deze keer belangrijker… het jong is vele malen jonger dan ik was’, mompelde hij tegen zichzelf.

Deel 2

Ben zo terug – Bart